Songwriting vertrekpunten

 

Opdrachten rond verschillende vertrekpunten/perspectieven bij van het schijven van songs. 

Begin met:

1.

  • tekst random woorden (zet 6 zelfst. naamwoorden bij elkaar)
  • Melodie adv een motief
  • basloopje (dalende bas, pedal)

2.

  • akkoordprogressie met random akkoorden – begin met 3 akkoorden 
  • bestaand akkoordenschema als uitgangspunt (bv kwintval sequens, 4 chords, schema van bestaand stuk)
  • tekst: brainstorm / woordspin

3.

  • groove met muzikale stijl als uitgangspunt (bv disco liedje, ballad, blues, reggae, klassiek)
  • repeterende noot
  • stijlimitatie a.d. voorbeeld: bv beatles, motown,  stijlimitatie voorbeelden (klik)

4.

  • melodie n.a.v. een random gekozen interval 
  • Over hetzelfde gegeven (groove, akkoordenschema) maak je verschillende vormonderdelen. (Wanna be startin’)
  • als beginpunt een eenvoudige ritmische groove (bv alleen een shaker en conga’s)

 

arrangereren van klassieke stukken

Basis:

  • Wat zijn de mogelijkheden van je instrumenten; wat is speelbaar en wat niet
  • Wat zijn de bereiken van je instrumenten zijn 

Arrangeertips:

  • Samenklanken die goed klinken op de piano klinken niet altijd goed op andere instrumenten. bv akkoorden met grote intervallen 
  • Noten dicht bij elkaar mengen vaak beter met elkaar 
  • Instrumenten in een zelfde kleurgroep mengen beter met elkaar
  • Natuurtoon instrumenten (weinig boventonen) fungeren makkelijker als “harmonie instrumenten” – hoorns, trombones mengen prachtig samen. Bij instrumenten die veel boventonen produceren (bv hobo, fagot) kunnen de harmonie soms “modderig” maken. Betekent niet dat het niet kan of mag. Met hoorns, trombones is succes echter verzekerd. 
  • Hoge noten op blaasinstrumenten kosten veel moeite om te spelen. Bv een hoge b op een trompet (2 oktaven boven centrale c) klinken op de piano prima maar vaak geknepen op een trompet. 
  • Laat 2 strijkers geen unisono melodieën spelen. (intonatie verschillen laten dit niet goed klinken)

 

Voorbeelden van arrangementen van klassieke stukken

Origineel:

Orkestratie door Debussy

Orgelfuga Mozart:

Bewerkt voor 3 saxofoons:

 

Bach Contrapuntus XIX:

 

Bewerking voor 8 stemmen:

Orkestratie van Luciano Berio: 

 

 

Chopin nocturne: bewerkt voor piano + viool 

Nocturne Chopin – origineel:

Orkest versie:

 

studeren

Het studeren van lichte muziek vereist een iets andere benadering dan het studeren van klassieke muziek. Bij klassieke muziek bestaat het studiemateriaal vaak heel concreet uit exact genoteerd materiaal. Het is de bedoeling dat je precies speelt wat er staat en daar je interpretatie aan geeft. Bij lichte muziek ligt dat anders en vooral veel ruimer. Er zijn minder strikte regels , er is meer vrijheid en er zijn veel verschillende manieren om dingen te spelen, m.a.w. er wordt veel meer aan het initiatief van de speler overgelaten. Dat is voor sommige mensen heel prettig. Anderen hebben met die ruimte juist moeite en weten eigenlijk vaak niet wat ze moeten doen. 

Studietips:

  • Maak opnames tijdens de lessen, liefst op video zodat je terug kunt kijken en luisteren. Het is effectiever dan dingen uitschrijven en bovendien leg je zaken (bv een feel of groove van een nummer) vast die lastig te noteren zijn.
  • Studeer regelmatig. Niet 3 uur op maandagavond als op dinsdagochtend je les is. Veel effectiever is dagelijks een  half uur of 3 kwartier. Daar bouw je routine, conditie mee op en laat je materiaal, ook theoretisch veel meer beklijven
  • Studeer effectief en efficiënt
  • Zorg voor een opbouw in je studeren.

Onderwerpen afbakenen:

Begin bv met:

  • 10 minuten techniek/toonladders
  • daarna akkoordoefeningen of iets in een theoretisch kader b.v. akkoord-oefeningen, uitzoeken van een liedje
  • het studeren van een stuk, patroon, groove
  • en eindig met een stukje van blad spelen.
  • Studeer met metronoom. Het allerbelangrijkste bij het begeleiden is een goede pulse! 
  • Vraag jezelf af bij alles wat je studeert of het goed genoeg is, of het beter kan en zo ja hoe je dat dan kan doen?
  • Luister naar voorbeelden. Hoe speelt een pianst op de plaat? Als je een R’n’B nr gaat spelen ga dan eerst op een analytische manier naar R ‘n’ B luisteren. Wat zijn karakteristieken van die stijl en hoe kun je die vertalen naar 
  • Luisteren luisteren luisteren naar zoveel mogelijk muziek 

 

Voorbeeld van een jazz-practise routine:

  1. techniek – oefeningen en etudes (20 min)
  2. toonladders, II-V-I tjes en voicings (20 min)
  3. stuk studeren (20 min)
  4. uitzoeken van links, voicings, (dingen die je bv in opnames van andere pianisten gehoord hebt en tof vindt (20 min)
  5. soleren – trainen met backing tracks (20 min)
  6. prima vista van blad lezen (20 min) (teoria.com)

Belangrijk is om materiaal te verzamelen bv een lijstje met mooie voicings, toffe licks etc en vooral met vragen naar de les te komen. Vraaggericht studeren is de hoogst haalbare vorm van studeren.

van blad lezen

 

Als muzikant en zeker als muziekdocent is het belangrijk om degelijk van blad te kunnen lezen en tot op een redelijk niveau iets prima vista te kunnen lezen en spelen.

Van blad lezen kun je heel goed trainen.

Leestips:

  • zoek bladmuziek op jouw leesniveau, niet te makkelijk en niet te moeilijk.
  • kijk naar het blad, niet naar de toetsen, ook niet tussendoor 
  • lees iets vooruit, zeker bij lange noten
  • probeer patronen te zien in de noten (toonsoort, akkoorden, harmonische context)
  • neem dynamische aanwijzingen mee vanaf het begin
  • Van blad lezen en spelen is als typen: naarmate je meer routine en handigheid krijgt gaan je vingers automatisch naar de juiste toetsen.
  • Eén vd moeilijke dingen bij het van blad lezen is het lezen en spelen van het juiste ritme; hardop tellen helpt!
  • Oefenen!

 

Oefening noten lezen (klik)

 

voicings

Basis Jazz harmonie

De basis van functionele jazz harmonie wordt gevormd door drie tonen:

– De grondtoon
– De terts of een voorhouding (bijvoorbeeld sus4)
– Het septime of een septime vervanger (meestal de sext)

De laatste twee tonen worden ook wel guide tones genoemd. Deze twee tonen bevatten alle belangrijke harmonische informatie: het toongeslacht (majeur/ mineur) en de functie (dominant/tonica). In plaats van de terts of de septime kunnen ook voorhoudingen of vervangers gespeeld worden, zoals de sus4 als voorhouding voor de terts of de sext als vervanger voor de septime (een groot septime kan ook als voorhouding voor de sext fungeren).
Guide tones zijn essentieel voor effectieve melodieën, lijnen, harmonieën, begeleidingen, improvisaties etc. Sommige jazz pedagogen definiëren het leren improviseren over akkoorden schema’s als het leren verbinden van de tertsen en de septiemen van de akkoorden.

Een guide tone voicing (GTV) bevat de drie belangrijkste tonen. Deze voicings worden ook wel primaire voicings of primary voicings genoemd.

II-V-I progressie

Een van de meest voorkomende akkoordprogressies in lichte muziek. Te gebruiken als “drie-eenheid” en te herkennen aan de volgorde Mi7 –> Dom7 –> Maj7.

Een goede manier om een II-V-I progressie te “voicen” is: zie vb hieronder;

Mi7 akkoord:           

Grondtoon + tertsenstapeling vanaf de 3 (terts) – 7 (septieme) gaat in het dominant akkoord naar de 3, de overige noten blijven liggen – dat levert als dominant een dominant 7 + 9 en 13 op.

  • Dom 7 akkoord:       Grondtoon + 7, 9, 3 en 13
  • Maj 7 akkoord:         Grondtoon + tertsenstapeling vanaf de terts.

 

In het voorbeeld hieronder voorzien van een lopende bas

 

Voicings

Ladder = akkoord <-> akkoord = ladder

Een mineur of majeur akkoord bestaat in principe uit een stapeling van tertsen. Als je de tersten door stapelt totdat je weer bij de grondtoon bent gebruik je alle noten uit de ladder. Mineur: dorisch en Majeur: lydisch

Op een grondtoon kun je door uit de ladder noten te combineren “random” voicings maken die die bestaan uit clusters. Bv D Dorisch aan de piano: onderin een D verder een cluster van witte toetsen, het liefst een combinatie van kleine en grote intervallen.

 

Upper structures

Een manier op dominant 7 akkoorden te “kleuren” is door gebruik te maken van zgn “upper structures” Je gaat daarbij uit van de grondtoon + de guide tones: dus 1,3 en 7 en je zet daar een kleur op in de vorm van een drieklank. Onderin de guide tones die de functie van het akkoord (dominant) bepalen, bovenin de drieklank die de kleur bepaalt:

 D                       Eb               Gb              Ab            A             

C7                      C7               C7              C7            C7      

 

Upper-structures:

 

 

Innervoice motion

 

 

Op gealtereerde dominant: octotonische lick

 

bridge

Een bridge in een song fungeert meestal als onderbreking van een couplet-refrein structuur en bevat vaak een nieuw melodisch en harmonisch materiaal. 

 

A+B:    Db – Fm/C – Bdim – Gb – Gbmi

De bridge in de hoedanigheid van een gitaarsolo. Qua harmonisch verloop wat merkwaardig in de toonsoort Db: A – B – F#m – G#m – A – B – C – D – E en vervolgens direct het chorus weer op Db groot. Toch slaagt Lenny Kravitz erin om het geheel logisch te laten klinken. 

 

De bridge van “She’s too good for me” is een mooi voorbeeld van hoe naast muzikale parameters als melodie, harmonie en instrumentatie ook tekstueel een andere richting wordt ingeslagen om vervolgens weer terug te keren naar de couplet-refrein structuur.

Tips voor het schrijven van een bridge:

  • bedenk of je song wel een bridge nodig heeft
  • begin op een akkoord dat niet in couplet-refrein voorkomt
  • denk “out of the box” qua harmonie, instrumentatie etc